Impact investing is de afgelopen jaren sterk in opkomst als een nieuwe investeringsvorm die zich op het snijvlak bevindt van filantropie en traditionele investeringen. Er zijn verschillende definities van impact investment, maar een veel gebruikte omschrijving is dat het gaat om investeringen met de intentie om naast een financieel rendement positieve, sociale en/of ecologische impact te genereren. Vaak wordt hieraan toegevoegd dat het doel is om additionele waarde toe te voegen aan de initiatieven waarin geïnvesteerd wordt die vervolgens aantoonbaar en meetbaar zijn.2
Definitie van Global Impact Investing Network (GIIN) (https://thegiin.org/)
Impact Investeerders zijn vaak vermogende particulieren, filantropische stichtingen, pensioenfondsen, verzekeraars en vermogensbeheerders, die via intermediairs zoals fondsmanagers investeren in uiteenlopende domeinen, variërend van hernieuwbare energie en regeneratieve landbouw tot gezondheidszorg, onderwijs, technologieën die water en lucht schoner maken en betaalbare huizen voor mensen met lagere inkomens. De wereldwijde markt voor impact beleggingen is het afgelopen jaar gegroeid van $1164 mrd naar $1571 mrd, volgens het Global Impact Investing Network (GIIN).3
Impactinvesteringen kunnen verschillende vormen aannemen, zoals gunstige leningen (leningen met bijvoorbeeeld lage rente), durfkapitaal (risicokapitaal voor start-ups met sociale impact), private equity (investeringen in grote bedrijven met impact doelen), quasi-equity (hybride van schuld en eigen vermogen), social impact bonds (obligaties met terugbetaling op basis van behaalde impact doelen), recoverable grants (subsidies die onder bepaalde voorwaarden terugbetaald kunnen worden).
De meest gebruikelijke vorm van impact investeringen zijn investeringen in risicodragend vermogen (venture capital/ private equity), middels een participatiemaatschappij die kapitaal van meerdere investeerders bundelt om een divers portfolio van sociale ondernemingen te financieren in ruil voor aandelen in de bedrijven. De participatiemaatschappij investeert in het eigen vermogen van de sociale ondernemingen (equity) en verkoopt de participaties met winst en/of dividend wordt uitgekeerd. De Participatiemaatschappij fungeert als general partner, ook wel GP. De investeerders fungeren als limited partners (LP’s). De investeerders zijn de kapitaalverschaffers van het fonds. Met het fondsvermogen worden aandelen gekocht in de bedrijven. De fondsmanager is verantwoordelijk voor het beheer van het fonds en kan hiervoor een beheersvergoeding ontvangen (managementfee).
Een voorbeeld is het in Zweden gevestigde Norrsken VC, een van de grootste impact investeerders in Europa, dat recent €320 miljoen heeft opgehaald en van plan is om 30 bedrijven met een focus op impact te financieren in sectoren zoals klimaattechnologie, energie, biotechnologie, AI en gezondheidstechnologie.4 DOEN Participaties is de afgelopen 25 jaar uitgegroeid tot de grootste impact investeerder voor duurzame en sociale startups in Nederland. Op dit moment bestaat het portfolio uit 50 participaties en converteerbare leningen en 18 fondsinvesteringen.5
In Nederland bestaan er verschillende definities van de "culturele en creatieve sector," die sterk variëren tussen overheidsinstanties, fondsen, instellingen en onderzoekers. Soms wordt een strikte afbakening van de sector gehanteerd, en soms een bredere afbakening waarin ook “media en entertainment” en bijvoorbeeld reclamebureaus worden meegenomen. De Cultuur Monitor gebruikt een cultuurgerichte definitie, terwijl de Monitor Creatieve Industrie een bredere definitie hanteert die zich richt op de creatieve industrie.6
Cultuur Monitor (https://www.cultuurmonitor.nl/)
Monitor Creatieve Industrie (https://mediaperspectives.nl/project/monitor-creatieve-industrie/)
In dit haalbaarheidsonderzoek hebben we de 10 "cultuurdomeinen" van de Cultuurmonitor als uitgangspunt genomen. Hiermee sluiten we dus de creatieve industrieën zoals kranten en pers, radio en tv, en marketing- en reclamebureaus uit van dit onderzoek. In het kader van dit onderzoek spreken we daarom ook over "De Culturele en Creatieve Sectoren" in plaats van de "Creatieve Industrien".
Binnen de 10 cultuurdomeinen zijn er zowel commerciële bedrijven als niet-commerciële instellingen actief, met zowel een focus op populaire cultuur, subcultuur, countercultuur en niet-commerciële cultuur. Denk aan commerciële creatieve ondernemingen zoals streetwear merken (design) of hiphop labels (muziek), maar ook niet-commerciële instellingen zoals musea (beeldende kunst) en schouwburgen (theater).
De culturele en creatieve sector groeide tussen 2019 en 2022 jaarlijks met 2,9%, waardoor het aantal banen in 2022 op 390.000 uitkomt. Ter vergelijking: gedurende dezelfde periode steeg het aantal banen in de totale economie jaarlijks met 1,6%. De banengroei in de culturele en creatieve sector kan vooral worden toegeschreven aan de creatieve zakelijke dienstverlening, waarbij design een opvallende subsector is.7
Amsterdam is getalsmatig met ruim 77 duizend banen in 2022, de sterkste concentratie van de culturele en creatieve sector.8 Echter het accent van de banengroei in de sector verschuift de laatste tijd van Amsterdam naar andere delen van Nederland zoals Eindhoven, Rotterdam, Utrecht en Den Haag.
De culturele en creatieve sector is een kleinschalige sector. De gemiddelde bedrijfsgrootte is met 1,7 banen per vestiging aanzienlijk kleiner dan de gemiddelde bedrijfsgrootte in de ICT-sector met 3,9 en de economie als geheel met 4,7 banen. Het aandeel ZZP'ers in de culturele en creatieve sector is ook bijzonder hoog, en de afgelopen jaren blijft stijgen. In 2022 waren bijna 52% van alle banen in de sector zelfstandigen in Nederland.9
Binnen de sector en daarbuiten bestaan verschillende perspectieven op de relatie tussen economie en cultuur. Fondsen, beleidsmakers en instellingen hebben vaak uiteenlopende visies op het huidige economische systeem en de rol van cultuur daarin.
Binnen dit haalbaarheidsonderzoek onderscheiden we drie visies op economie en cultuur: 1) het "creative economy"-perspectief, 2) het perspectief van "culture as a public good" en 3) het perspectief van de "social and solidarity economy".
In het kort legt de “creative economy” de nadruk op de sector binnen het huidige economische systeem terwijl het perspectief van de “social and solidarity economy” uitgaat van een systeem-transitie naar een “nieuwe economie”. Het perspectief van "culture as a public good" legt de nadruk op cultuur als een collectief goed dat buiten de marktwerking ligt. Wij werken deze drie economische perspectieven hieronder kort uit.
Het perspectief van de “creatieve economie” legt de nadruk op de socio-economische baten van de sector voor de samenleving. De nadruk ligt op verschillende “creatieve industrieën” en hoe die socio-economische ontwikkeling generen in een land, stad of wijk. Zaken als ondernemerschap, intellectueel eigendom en vermarkting van producten en diensten met een culturele component staan centraal.
In het boek The Creative Economy: How People Make Money (2001) from Ideas beschrijft de Britse hoogleraar John Howkins de creatieve economie als "een nieuwe manier van denken en doen die de industrieën van productie, dienstverlening, detailhandel en entertainment nieuw leven inblaast, met de nadruk op individueel talent of vaardigheid, en op kunst, cultuur, design en innovatie."10 Ook de Amerikaan Richard Florida benadrukt in zijn boek “The Rise of the Creative Class” (2002) dat de creatieve klasse vandaag de dag van groot belang is voor economische groei en stedelijke ontwikkeling, en dat deze steden dan aantrekkelijker worden voor innovatie, talent en investeringen.11
In essentie benadrukt de "Creatieve Economie" de rol van de sector als motor voor economische groei. Erfgoed kan bijvoorbeeld toeristen aantrekken en zo positieve neveneffecten creëren, terwijl creatieve bedrijven zoals designwinkels, modezaken en "creative hubs" kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van stedelijke gebieden.12 verschillende (lokale) overheden hanteren het raamwerk van de “creative economy” om hun stad of land te versterken.
Er wordt daarom gesproken over de sociaal-economische "baten" van kunst en cultuur. Kunst en cultuur kunnen economische groei stimuleren door toerisme aan te trekken, werkgelegenheid te creëren en innovatie te bevorderen. Daarnaast dragen ze bij aan het versterken van sociale cohesie en het verbeteren van zowel de mentale als fysieke gezondheid. Culturele voorzieningen verhogen bovendien de leefbaarheid van wijken.
Verscheidene organisaties bevorderen wereldwijd de visie van de "Creatieve Economie." De VN-Conferentie inzake Handel en Ontwikkeling (UNCTAD) speelt een sleutelrol in het versterken van de positie van de 'creatieve economie' op de mondiale economische en ontwikkelingsagenda en publiceert jaarlijks de Creative Economy Outlook.13 Ook de British Council draagt internationaal bij aan de promotie van deze visie op cultuur en economie. De accelerator en impact investeerder Upstart Co-Lab bekijkt haar investeringen eveneens vanuit de invalshoek van de “creatieve economie.”14
Vanuit het perspectief van “Culture as Public Good” wordt de culturele en creatieve sector, in tegenstelling tot de “creative economy", juist onderscheiden van sectoren die economisch van aard zijn zoals industrie en dienstverlening. Het accent ligt op zowel de artistieke, culturele waarden en maatschappelijke en soms politieke beweegredenen van de sector.
In zijn recent verschenen boek “Culture is not an Industry, Reclaiming art and culture for the common good” (2024) pleit Justin O’Connor ervoor cultuur niet slechts te benaderen vanuit een economische ratio. 15 Door te spreken over "de creatieve economie” wordt volgens hem cultuur slecht bekeken als een marktproduct, met als gevolg dat de manier waarop cultuur kan bijdragen aan sociale en politieke verbeelding verdrongen wordt. Volgens O’Connor dient kunst en cultuur een essentieel onderdeel van democratie te zijn: een plek waar vrijuit over ideeën kan worden nagedacht en een voedingsbodem is voor radicale verandering. O’Connor: “We need to reassert public value over private profit, and to return culture to the public realm rather than leave it to market citizenship.”16
In tegenstelling tot de “creative economy” ligt het accent hier dus meer op het “eigene” van de sector, zoals het belang van een bloeiend cultureel leven in een maatschappij als doel op zich. Kunst en cultuur wordt gezien als een “publiek goed” dat positieve effecten heeft op de samenleving en om die reden is ondersteuning van de overheid rechtvaardigt. De opvatting is dat een deel van het culturele aanbod zonder tussenkomst van de overheid niet tot stand zal komen, bijvoorbeeld omdat de markt te klein is om een kwalitatief hoogstaand aanbod levend te kunnen houden. Dit is vergelijkbaar met andere “common goods” zoals schone lucht en bijvoorbeeld defensie, waar marktmechanismen tekortschieten en de overheid moet inspringen om dit te financieren.
In 2022 kwamen 150 landen bijeen tijdens MONDIACULT, de grootste conferentie over cultuur wereldwijd en bevestigden cultuur als een “wereldwijd publiek goed”.17 Ook in Nederland wordt dit perspectief gehanteerd door de Rijksoverheid ter rechtvaardiging voor het verstrekken van subsidies in het landelijke subsidiestelsel (ook wel “BIS” genoemd) De Rijksoverheid vindt het daarbij belangrijk dat het cultuuraanbod voor zoveel mogelijk mensen in Nederland toegankelijk is.18
IFACCA Culture as Common Good
Verschillende fondsen en financiers leggen de nadruk op het belang van cultuur in de "publieke ruimte" en de rol van cultuur als motor voor maatschappelijke verandering. Zo ondersteunt het Prins Claus Fonds voor Cultuur en Ontwikkeling kunstenaars en culturele organisaties in landen waar culturele expressie onder druk staat. De in Nederland gevestigde European Cultural Foundation ondersteunt kunstenaars en culturele pioniers om dat zij complexe problemen aankaarten op manieren die het politieke debat overstijgen. Ze gelooft in de kracht van cultuur om te verbinden, ruimte te bieden voor ontmoeting en ontdekking, om zo de Europese publieke ruimte te bevorderen. Stichting DOEN financiert kunst- en cultuurprojecten die radicale verbeelding inzetten om te laten zien dat een andere wereld mogelijk is en die werken aan het creëren van en het ruimte geven aan een veelheid aan perspectieven.
In tegenstelling tot de sociaal-economische "baten" zoals economische groei en sociale cohesie, die centraal staan in de redenering van de "creatieve economie", wordt vanuit dit perspectief in cultuur geïnvesteerd om de "maatschappelijke verandering" die het teweeg kan brengen in de publieke ruimte/ het maatschappelijk middenveld. Cultuur is hierbij verbonden aan termen als: vrijheid van expressie, verbeelding, kritisch geluid, dialoog en democratie.
Er kan ook worden gekeken naar de rol van de culturele en creatieve sector vanuit de Social and Solidarity Economy (SSE). Dit perspectief op de culturele en creatieve sector benadrukt de belangrijke rol van de sector bij het vormgeven van alternatieve manieren van samenleven, werken en het vormgeven van een “nieuwe economie”.
De nadruk ligt op initiatieven die zich richten op horizontale, gelijkwaardige, collectieve en meer inclusieve samenwerkingsvormen, op culturele coöperaties, kunstenaarscollectieven, bewonersinitiatieven. Voorbeelden zijn culturele vrijhavens die verzet bieden tegen de verdere privatisering en gentrificatie van de stad. Of coöperatieve ambachtelijke werkplaatsen, gedeelde ateliers of muziekstudio's en kunst collectieven die zichzelf op een democratische manier organiseren. Een voorbeeld hiervan zijn organisaties die “collectief eigenaarschap” van culturele panden promoten.
Daarnaast is er de "Open Movement," een wereldwijde beweging die draait om het vrij delen van creativiteit, cultuur en kennis. Deze beweging omvat initiatieven zoals Creative Commons, open source-software, Copyleft, platform co-ops, online community radio en streaming, en remix-cultuur. Het gaat hier om toegang tot kunst en cultuur toegankelijker, inclusiever en flexibeler te maken en hergebruik aan te moedigen. Ze onderstreept het belang van collectieve creativiteit, verbeelding en kennisuitwisseling, en streeft ernaar barrières weg te nemen die vaak in traditionele copyright en “ownership” systemen aanwezig zijn.
RIPESS (https://www.ripess.org/)
Er zijn ook voorbeelden van horizontale en coöperatief georganiseerde fondsen die aantonen dat gezamenlijke investeringen mogelijk zijn door middel van democratische, inclusieve besluitvorming over investeringen. Deze initiatieven lijken op kredietunies (coöperatieve banken die in handen zijn van hun leden) die culturele ondernemers toegang geven tot betaalbare financiering op basis van gemeenschappelijke besluitvorming. Een voorbeeld hiervan is het Boston Ujima Project, een democratisch, door leden beheerd venture capital fonds in Boston, met als missie om rijkdom terug te geven aan gemeenschappen van kleur.
Het Ujima Fund verstrekt leningen en participeert in lokale culturele en buurtgebonden creatieve bedrijfjes. Het Ujima Fund heeft inmiddels $4,5 miljoen aan kapitaal opgehaald voor haar investeringsfonds.19 Het initiatief hanteert een “participatief investeringsproces” waarbij leden initiatieven kunnen voordragen waarvan zij denken dat deze een positieve impact zullen hebben op de gemeenschap. Deze voordrachten worden doorgaans verzameld tijdens buurtbijeenkomsten, waar honderden bewoners, lokale creatieve bedrijven en kunstenaars samenkomen. Financiële specialisten uit de gemeenschappen voeren de due diligence uit en doen aanbevelingen aan de gemeenschap voordat de investeringen ter stemming worden gebracht. Het model van Boston Ujima doet denken aan de manier hoe kredietunies te werk gaan.
Deze investeringsvormen worden ook wel omschreven als "non-extractive" financiering.20 Dit houdt in dat de financiering zo is vormgegeven dat het rendement voor de kredietverstrekker nooit hoger is dan de waarde die de kredietnemer met het geleende kapitaal heeft gecreëerd. Dit kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door middel van lage rente, aflossingsvrije periodes of kwijtscheldbare rente. Terugbetaling-schema's kunnen zodanig worden opgesteld dat er pas rente- of aflossing plaatsvindt wanneer het project voldoende inkomsten genereert om de kosten te dekken. Ook kan er worden besloten dat een rentepercentage pas in rekening wordt gebracht zodra het project daadwerkelijk winstgevend is. In zo'n model kan de winst die een initiatief oplevert, terugvloeien in een revolverend fonds, zodat dit succes kan worden doorgegeven aan een volgende culturele plek die financiering nodig heeft.
In Nederland zijn er ook diverse fondsen die zich inzetten voor de ontwikkeling van een nieuwe sociale en solidaire economie. Voorbeelden zijn het Fonds Burgerbewegingen, het Stadmakers Fonds en Fonds Kwadraat, dat niet-extractieve leningen verstrekt aan kunstenaars. Stichting DOEN speelt een voortrekkersrol in dit veld, onder andere via het Arts Collaboratory netwerk en het Postcode Loterij Buurtfonds, dat bewonersinitiatieven ondersteunt. Op haar website benadrukt Stichting DOEN haar focus op “social practice” (kunstenaars die gemeenschappen en individuen betrekken in hun artistieke proces), en op culturele initiatieven die streven naar horizontale, gelijkwaardige en inclusieve samenwerkingsvormen.
In tegenstelling tot de “creative economy-perspectief” dat spreekt over sociaal-economische "baten" hebben we het hier over een “systeemtransitie” van de huidige extractieve economie naar een alternatieve, waardegedreven “nieuwe economie”. Kortom, we hebben het nu niet alleen over “social change” maar over “systemic change”
Wat is de impact van de culturele en creatieve sector? Daarover is de afgelopen jaren veel gesproken en gediscussieerd. En er is ook het nodige onderzoek naar gedaan.21 In het onderzoek wordt vaak een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en ecologische impact en de “eigenstandige waarde” van de sector.
De impact richt zich op de externe maatschappelijke effecten van de sector, terwijl de eigen waarde wordt uitgedrukt in begrippen als verbeelding, inspiratie, beleving, bezinning en het bieden van nieuwe perspectieven. In het Verenigd Koninkrijk wordt soms ook de term "cultural value" of “culturele waarde” gebruikt om het onderscheid te maken met "sociaal-economische baten." Soms wordt ook gesproken over het verschil tussen de "intrinsic" en de "instrumental value” van de culturele en creatieve sector. In dit onderzoek hanteren we de termen "sociale en ecologische impact" versus "eigenstandige waarde".
De afgelopen jaren is er een toenemende aandacht voor de rol van de culturele en creatieve sector om veranderingen teweeg te brengen of te versnellen op het gebied van economie, maatschappij en milieu.
In deze context kunnen we spreken van verschillende “impact dimensies” van de sector op het gebied van de gezondheidszorg, onderwijs, klimaat, of diversiteit en inclusie. Voor de beoordeling van de Impact wordt vaak gekeken naar de bijdrage aan de Sustainable Development Goals (SDG’s). De SDGs zijn zeventien doelstellingen om van de wereld een betere plek te maken in 2030. Ze zijn een mondiaal kompas voor uitdagingen als armoede, onderwijs en de klimaatcrisis.22
Er zijn tal van voorbeelden die laten zien hoe de sector bijdraagt aan de SDGs. Zo zijn er theatergezelschappen die educatieve programma’s aanbieden op scholen in achtergestelde wijken, en platenlabels die werken in gevangenissen. Er zijn interactie designers die tools ontwikkelen waarmee blinde en slechtziende mensen via een app op hun telefoon lichaamstaal kunnen registreren.23 Er is een gamebedrijf dat speciale games heeft ontworpen voor chirurgen in opleiding om via een fascinerende spelwereld hun motorische vaardigheden te verbeteren.24 En er is een film organisatie die werkt met statushouders met een achtergrond in de filmindustrie, om ze aan werk te helpen in de Nederlandse film- en televisie.25
Er bestaan uiteenlopende visies op wat onder impact wordt verstaan binnen de culturele en creatieve sector. In dit onderzoek zullen we deze discussie buiten beschouwing laten en wij verwijzen naar de verschillende initiatieven in Nederland die de impact van de culturele sector onderzoeken, zoals de Impact Tiendaagse.26
Er zijn verschillende opvattingen over de druk vanuit overheid en financiers om de maatschappelijke effecten van de culturele en creatieve sector meetbaar en aantoonbaar te maken.
Soms wordt betoogd dat het unieke karakter van de sector juist ligt in haar vermogen om zich te onttrekken aan het dominante nut- en rendementsdenken. Er is verzet tegen de groeiende nadruk op meten, sturen, beheersing en effectiviteit die steeds meer wordt gevraagd van culturele en creatieve organisaties. Zij stellen dat de sector een van de weinige domeinen is waar er ruimte voor onbepaaldheid wordt gekoesterd, in een wereld die steeds meer wordt gedomineerd door functionaliteit en nut. Kortom, de toegevoegde waarde sector reikt verder dan vastomlijnde impact-doelstellingen, maar eerder om ruimte te creëren waar het ondenkbare kan worden overwogen en het ongeplande als strategie kan worden toegepast.
Componist en muzikant Merlijn Twaalfhoven noemt dit het belang van “speelruimte” binnen de maatschappelijke vraagstukken.27 Het gaat over speelbaarheid, voor niet-rendabele experimenten, voor artistiek onderzoek en het accepteren van falen. De ongedefinieerdheid en onmeetbaarheid van verbeelding is cruciaal in de sector en is een belangrijk verschil met “sociale ondernemingen” die efficiënt een vastomlijnde impact willen nastreven. Ook spreekt Merlijn Twaalfhoven over de onzekerheidsvaardigheid van kunstenaars. Als je de wereld bekijkt met de mindset van een kunstenaar wordt je onzekerheids-vaardig. Hij richtte zelfs een Academie voor Onzekerheidvaardigheid op.28
Ook het WRR pleit voor grote terughoudendheid met het opleggen van vooraf gedefinieerde impact criteria die buiten het kunstzinnige en culturele liggen.29 Het risico van het huidige marktdenken is dat het ertoe leidt, dat alles aan dezelfde criteria onderworpen wordt: "de meetbaarheid der dingen regeert”. In het artikel "Meten is Weten, Maar is dat Wel Zo" stelt DOEN voor dat bij impactevaluatie van sociale kunstpraktijken de nadruk beter kan liggen op de ervaringen van de deelnemers, in plaats van alles in cijfers te willen uitdrukken.30
Hans Stegeman, Chief Economist Triodos Bank
Naast de maatschappelijke en economische baten van de culturele en creatieve sector, is er sprake van een eigenstandige waarde van kunst en cultuur. Het feit dat culturele ondernemingen bijdragen aan een bloeiend cultureel leven is een op zichzelf staande relevantie in de samenleving. Deze “eigen waarde” wordt vaak door de sector zelf benadrukt als haar de drijvende kracht en waarmee zij zich onderscheidt van andere sectoren. Immers, een winkelcentrum heeft ook economische waarde voor de omgeving, een tech-incubator produceert ook innovatie en een medische startup creëert ook maatschappelijk welzijn.
De eigenstandige waarden van de culturele en creatieve zijn verbonden met 1) culturele meerwaarde en 2) artistieke strategieën en 3) de culturele commons/ het cultuur gemeen Als we kijken naar de culturele of artistieke meerwaarde, gaat het om de relevantie en noodzaak van een onderneming binnen de culturele context waarin ze opereert. Hierbij worden criteria als oorspronkelijkheid en vakmanschap in ogenschouw genomen. Met oorspronkelijkheid wordt de mate waarin iemand zelf iets bedacht heeft bedoeld. Met vakmanschap kan bijvoorbeeld worden gekeken naar erkenning door peers. Deze aspecten zijn niet eenvoudig te beoordelen, maar vormen een belangrijke basis voor het potentiële succes en de groei van het culturele initiatief.
Denk bijvoorbeeld aan het cruciale belang van de juiste esthetische en narratieve keuzes binnen een videogame voor het uiteindelijke commerciële succes van het bedrijf. Het bepalen van culturele meerwaarde zal bij voorkeur worden gedaan door mensen uit de vakdiscipline waarbinnen de onderneming opereert. Beoordeling op grond van oorspronkelijkheid, zeggingskracht en vakmanschap van een videogame kan bijvoorbeeld het beste worden gedaan door mensen met grondige kennis van de game-sector zelf. Zij kunnen het beste een beoordeling maken van een game door deze te verhouden tot vergelijkbare games en bepalen in hoeverre de artistieke visie en stijl trendsettend is binnen de context van de game-sector.
De artistiek-inhoudelijke beoordeling van een initiatief kan onbewust sterk beïnvloed zijn door subjectieve normen en vaak gebaseerd op vooroordelen en stereotypen. Bijvoorbeeld meningen en opvattingen over artistieke innovatie zijn geladen door ieders culturele referentiekader. Bewust worden van onbewuste vooroordelen is essentieel bij het zicht krijgen op de blinde vlekken in het beoordelen van artistieke meerwaarde. Het is daarom van belang dat diversiteit en inclusie een intrinsiek onderdeel zijn van de artistieke-inhoudelijke beoordeling en niet worden gezien als een aparte categorie die hier los van staat. Het is daarom essentieel dat sleutelfiguren vanuit de omgeving of achterban van een culturele onderneming worden betrokken. Uit onderzoek is gebleken dat een gebrek aan representatie binnen fondsen en selectiecommissies heeft geleid tot een gebrek aan financiële ondersteuning van biculturele Nederlanders en de marginalisatie van bepaalde vormen van artistieke expressie.
De “eigenstandige waarde” van kunst en cultuur zijn daarnaast verbonden met verbeelding, beleving en de emotionele of mentale verbinding met een toeschouwer. Het gaat daarbij over de manier waarop een cultureel project ‘binnenkomt’, de verbeelding prikkelt en een ervaring veroorzaakt. Kunst en cultuur hebben het vermogen om voortdurend nieuwe perspectieven te creëren, of nieuwe manieren om iets te benaderen, waar te nemen of geraakt te worden. Artistieke strategieën kunnen worden ingezet, zoals belichamen, raken, uitdrukken, verbeelden, inspireren, zorgen, co-creëren, versterken en ondermijnen. Meer over creatieve strategieën en manieren om deze te evalueren is te vinden in The Creatures Framework.31
De intrinsieke en unieke waarde heeft ook betrekking op het culturele gemeen (de culturele commons), die kan worden gedefinieerd als de maatschappelijke culturele ruimte tussen de overheid en de marktcultuur. Het is een ruimte voor collectieve praktijken die door burgers worden ondernomen met de nadruk op samenwerking, collectief eigenaarschap en verzet tegen commodificatie. Het omvat zowel artistieke als sociale praktijken waarin bronnen en middelen – zoals inkomsten, kennis, of werkruimten – gezamenlijk worden beheerd. Meer over de "culturele commons" is te vinden in het werk van Pascal Gielen, zoals in zijn boek Trust, Building on Cultural Commons (2024).
Daarnaast is verbeelding niet alleen iets individueels, maar ook een collectief proces. Kunst en cultuur brengen mensen samen, creëren gedeelde ervaringen en identiteiten, vergroten de publieke ruimte en bevorderen dialoog. De Verenigde Naties benadrukt bijvoorbeeld de specifieke aard van culturele activiteiten, goederen en diensten als gemeenschappelijke middelen en dragers van identiteiten, waarden en betekenissen en het belang van culturele uitwisselingen voor dialoog en wederzijds respect.32
Florian Schneider, Professor Artistic Entrepreneurship NTNU